Luxatie patella
Luxatie van de patella betreft een van de meer frequent voorkomende knieletsels. Ongeveer een kwart van alle cliënten bezoekt een arts met de patella nog in geluxeerde positie. De knie wordt geflecteerd gehouden en de patella is te zien en te voelen naast de laterale femurcondylus. Luxatie naar mediaal komt zeer zelden voor. De cliënt vertelt gewoonlijk dat 'zijn knie uit de kom schoot' en in de meeste gevallen ook weer 'terugschoot'.
De aandoening komt bij mannen vaker voor dan bij vrouwen. Hoewel veel cliënten melden dat de patella luxeerde 'tijdens een ongeval', blijkt meestal dat er sprake was van een kniebeweging waarbij de cliënt door zijn knie zakte. Slechts in een enkel geval blijkt de patella te zijn geluxeerd als gevolg van een naar lateraal gerichte kracht tegen het mediale aspect van de patella.
Bij een dysplastische patella kan als gevolg van een bepaalde beweging na een eenmaal doorgemaakte luxatie de patella opnieuw luxeren. Men spreekt dan van een recidiverende patellaluxatie. De knieschijf luxeert tijdens normale bewegingen en reduceert even spontaan. Vaak betreft het cliënten met een aangeboren hypermobiliteit van vele gewrichten, in combinatie met een dysplastische patella. Predisponerende (voorbeschikkende) factoren zijn:
- patellofemorale dysplasie: afwijkende vorm van de patella, volgens de typen patellae van Wiberg en Baumgartl;
- patella alta: hoogstand van de patella;
- malalignment van heup (femur), knie (tibia) en/of voet (pes plano valgus);
- hypermobiliteitssyndroom.
Klinische bevindingen
De cliënt heeft heftige pijn tijdens de luxatie en zolang de patella zich in de geluxeerde positie bevindt. In de meeste gevallen ontstaat er een acute haemarthros. Er is drukpijn ter hoogte van de mediale retinacula, die tijdens de luxatie zijn geruptureerd. Ook het mediale patellafacet kan zeer drukpijnlijk zijn als gevolg van subchondraal letsel. De laterale femurcondylus is vaak drukpijnlijk als gevolg van osteochondrale beschadiging, die meestal ontstaat tijdens spontane of onzorgvuldig uitgevoerde manuele reductie.
De apprehensiontest is positief: de cliënt heeft de knie in 10º flexie (de patella is niet geluxeerd) en de onderzoeker beweegt met beide duimen de patella naar lateraal. De cliënt zal pijn voelen en daarom de beweging niet toelaten. Als ondanks een negatieve test toch verdenking bestaat van patellaluxatie, vraagt u de cliënt de knie te flecteren, terwijl de patella manueel naar lateraal wordt gedrukt. De cliënt zal door de pijn zijn poging om de knie te buigen direct opgeven. Is deze test positief, dan was er zeker sprake van een patellaluxatie.
Röntgenonderzoek, met name tangentiele patella-opnamen, is van groot belang om osteochondrale fracturen vast te stellen. Artroscopie is aangewezen wanneer de diagnose niet geheel duidelijk is, of wanneer het vermoeden bestaat van kraakbeenletsel.
Therapie
In het geval van een actuele luxatie dient de patella te worden gereponeerd, dit wil zeggen dat hij terug op zijn plaats wordt gebracht. Deze behandeling moet zeer voorzichtig worden uitgevoerd omdat anders de kans op osteochondraal letsel van de laterale femurcondylus zeer groot wordt. De geflecteerde knie wordt door een assistent ondersteund, de patella lateraal gefixeerd en mediaal iets opgelicht. Daarna wordt de knie heel langzaam gestrekt. Wanneer de knie bijna gestrekt is, glijdt de patella vanzelf op zijn plaats.
Als er geen sprake is van complicaties of wanneer eventuele losse fragmenten artroscopisch zijn verwijderd, wordt de knie behandeld zoals beschreven bij patella subluxatie, met dien verstande dat nu veel meer op geleide van pijn en zwelling wordt behandeld.